Onderwijssymposium met Memoria Press

Op zaterdag 7 februari 2026 kwam het Tocqueville Netwerk in Heemskerk bijeen voor een besloten onderwijssymposium, georganiseerd samen met Memoria Press. De bijeenkomst stond in het teken van praktische manieren waarop ouders en burgers kunnen bijdragen aan betere academische vorming van de volgende generatie. Onder de aanwezigen waren onderwijsprofessionals, de minister van onderwijs en Kamerlid Diederik Boomsma (onderwijswoordvoerder voor JA21). Scroll naar beneden voor een verslag van wat er is besproken!

Panel 1 – Het klassieke onderwijsideaal
In het eerste panel spraken drie deskundigen vanuit verschillende perspectieven over klassiek onderwijs en het streven naar excellentie: dr. Brian Lapsa (Memoria Press), dr. Jordi Wiersma (Pascal Instituut) en dr. Emma Cohen de Lara (Amsterdam University College).
Centraal stond het idee dat academisch onderwijs gericht moet zijn op de vorming van wijsheid en deugd via de studie van de vrije kunsten en de Grote Boeken uit de Westerse traditie. De vrije kunsten waren traditioneel opgebouwd rond het Trivium (grammatica, logica en retorica) en het Quadrivium (rekenen, meetkunde, astronomie en muziek). Deze opzet had niet alleen als doel om kennis over te dragen, maar vooral om leerlingen te leren denken. Het ging dus niet primair om wat je denkt, maar om hoe je denkt.
Dit ideaal ging terug tot de Griekse opvatting dat vrijheid en deugd onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Hoger onderwijs voor vrije burgers (artes liberales) was niet gericht op een beroep, maar op persoonlijke en morele vorming.
Een belangrijk onderdeel hiervan is het lezen van klassieke teksten. Deze vormen samen een intellectueel en moreel programma dat leerlingen confronteert met fundamentele vragen over bijvoorbeeld rechtvaardigheid, moed en het goede leven. Omdat deze teksten zo rijk zijn, vraagt het begrijpen ervan om herhaald lezen gedurende het hele leven, juist ook door de docenten.
Ook in Nederland vormden de vrije kunsten lange tijd de basis van het hoger onderwijs. Leerlingen bestudeerden auteurs als Boëthius, Cicero en Aristoteles, evenals de Bijbel. Pas daarna specialiseerden zij zich in een vakopleiding. Een rechtenstudent moest bijvoorbeeld eerst brede algemene vorming aantonen voordat hij advocaat kon worden.
Hoewel dit ideaal tot de jaren ’60 van de 20e eeuw stand hield, begon het al in de 19e eeuw geleidelijk te verdwijnen. Met de onderwijswet van 1876 kwam er meer nadruk op specialisatie, geïnspireerd door het Duitse universiteitsmodel van Von Humboldt uit het begin van die eeuw. Dit model kende nog een brede vorming, maar de geestes- en natuurwetenschappen werden voor het eerst gescheiden. Daardoor verdween het klassieke raamwerk geleidelijk uit de praktijk.
Latere pogingen om algemene vorming terug te brengen hielden geen stand. In onze tijd heeft ook het gymnasium zijn klassieke karakter deels verloren. De vorming van vrije, onafhankelijke en deugdzame burgers is over de hele linie naar de achtergrond verdwenen. Hoger opgeleiden kenmerken zich niet meer door een brede vorming en de capaciteit om zelfstandig kritisch na te denken, maar door het volgen van voorgekookte protocollen binnen een steeds nauwere vakspecialisatie. Conformisme, oppervlakkigheid en een gebrek aan nieuwe inzichten slaan aldus de trom.
Veel van deze ontwikkelingen valt te verklaren vanuit de democratisering van de samenleving. Klassiek onderwijs heeft immers een hiërarchische basis, die schuurt met de gelijkheidsliefde eigen aan democratie. In de klassieke opvatting erkent goed onderwijs dat leerlingen verschillende—dus: ongelijke—capaciteiten hebben.
Toch hoeft democratische gelijkheid misschien niet in tegenspraak te zijn met dit aristocratische inzicht. Democratie hoeft niet te betekenen dat iedereen op hetzelfde niveau moet uitkomen (gelijkheid van uitkomst), zij kan ook worden begrepen als de kans voor iedereen om zich op het eigen niveau te ontwikkelen (gelijkheid van waardigheid). Kleinschalige initiatieven kunnen helpen om recht te doen aan zulke menselijke verschillen.


Panel 2 – Kansen voor vernieuwing
Het tweede panel richtte zich op de praktijk van onderwijsvernieuwing in Nederland en Vlaanderen. Sprekers waren Bob Wegkamp (docent en ervaringsdeskundige met thuisonderwijs), mr. Hannah von Wertheimstein (onderwijsjurist) en dr. Kees-Jan Schilt (VU Brussel / Lux Mundi).
Een vergelijking tussen examens uit 1926 en 2026 suggereert dat het onderwijsniveau in de loop der tijd is gedaald. Dit beeld wordt bevestigd door ervaringen op universiteiten, waar eerstejaars studenten vaak onvoldoende voorkennis hebben. Docenten zijn daardoor genoodzaakt om in de eerste maanden veel tijd te besteden aan het bijspijkeren van basiskennis, voordat zij kunnen toekomen aan het eigenlijke curriculum.
Tegelijkertijd lijken universiteiten zich steeds meer te richten op het laten slagen van zoveel mogelijk studenten. Tentamens worden hierop aangepast, met als gevolg dat het kennisniveau daalt, terwijl het aantal behaalde diploma’s stijgt. Deze ontwikkeling roept vragen op over de werkelijke waarde van een diploma en de kwaliteit van het onderwijs.
De opkomst van kunstmatige intelligentie maakt deze situatie nog urgenter. Studenten die onvoldoende hebben geleerd om zelfstandig te redeneren en schrijven, lopen het risico AI te gebruiken als vervanging van hun eigen denkvermogen, in plaats van als ondersteunend hulpmiddel. Dit kan op termijn leiden tot een samenleving die sterk afhankelijk is van technologie en haar vermogen tot kritisch denken verliest.
Binnen deze context wordt thuisonderwijs soms genoemd als mogelijke oplossing. In Nederland is thuisonderwijs echter in principe verboden, met slechts enkele uitzonderingen, zoals bij religieuze bezwaren tegen alle scholen in de omgeving, langdurige ziekte of inschrijving bij een buitenlandse school.
Toch biedt thuisonderwijs interessante perspectieven. Het is flexibel, kan worden afgestemd op de behoeften van het kind en maakt intensief één-op-één onderwijs mogelijk. Leerlingen kunnen in hun eigen tempo werken, waarbij de kwaliteit van de lesuren zwaarder kan wegen dan de kwantiteit. Hybride modellen, zoals die in de Verenigde Staten bestaan—waarbij leerlingen bijvoorbeeld twee dagen naar school gaan en drie dagen thuisonderwijs volgen—kunnen een laagdrempelige en veelbelovende eerste stap vormen.
Daartegenover staan echter ook duidelijke nadelen. Thuisonderwijs vraagt vaak dat een gezin rondkomt van één inkomen. Daarnaast is het moeilijk om alle vakken op een hoog niveau aan te bieden, en zijn ouders beperkt tot de kennis en vaardigheden die zij zelf bezitten. Als je toch een andere onderwijsroute dan de reguliere wil verkennen, lijkt een voorzichtige aanpak verstandig: klein beginnen, alles zorgvuldig documenteren en indien nodig stappen zetten binnen het bestuurlijke systeem.
Opvallend is bovendien dat de wet in theorie meer ruimte lijkt te bieden voor alternatief onderwijs dan in de praktijk wordt benut. Het oprichten van een nieuw type school zou juridisch gezien bijvoorbeeld relatief eenvoudig moeten zijn, maar vernieuwende initiatieven stuiten vaak op weerstand van de onderwijsinspectie. Hierdoor krijgen alternatieve onderwijsvormen niet altijd de kans om zich te ontwikkelen.
Ten slotte bieden internationale ontwikkelingen kansen. Zo wordt de Classical Learning Test (CLT) door een groeiend aantal Amerikaanse universiteiten geaccepteerd als alternatief voor traditionele toelatingstoetsen. Dit zou in de toekomst ook mogelijkheden kunnen bieden voor Nederlandse leerlingen die buiten het reguliere onderwijssysteem vallen.
Conclusie
Het huidige voorbereidende en academische onderwijs schiet op twee punten tekort. Enerzijds is de klassieke vorming gericht op wijsheid, deugd en zelfstandig nadenken grotendeels verdwenen. Tegelijkertijd is het niveau in vergelijking met vroeger aantoonbaar gedaald. Het ligt voor de hand om een verband tussen deze ontwikkelingen te vermoeden.
De oplossing ligt niet primair bij de overheid, maar bij meer vrijheid: ruimte voor nieuwe initiatieven (zoals bijvoorbeeld het Pascal Instituut en Lux Mundi), kleinschalig onderwijs, hybride modellen die bestaande en nieuwe praktijken combineren, en betrokken ouders en burgers die verantwoordelijkheid nemen. De wet biedt meer mogelijkheden dan vaak wordt gedacht, maar deze moeten actief worden benut en verdedigd.

