top of page

Kerstdiner met Frans Willem Lantink

IMG_5769.jpg

Op zaterdag 13 december 2025 kwam het Tocqueville Netwerk in Leiden  bijeen  voor het jaarlijkse kerstdiner. Hierbij gaf Frans Willem Lantink, historicus en jurist aan de Universiteit Utrecht, een presentatie aan de hand van het boek dat hij recent met Jeroen Koch heeft geredigeerd, Nederlandse historici over Duitsland: Actualiteit en (dis)continuïteit, met speciale aandacht voor de Duitse traditie van Ordoliberalismus. Onder de aanwezigen bevonden zich vooraanstaande academici en een zittende minister.

Wat hebben we besproken?

De perceptie van de Duitse geschiedenis als geheel wordt tot op heden in onevenredige mate gedomineerd door het Derde Rijk. Het benoemen van positieve historische continuïteiten blijft veelal taboe, uit vrees dat dit zou kunnen worden opgevat als een relativering van het nationaalsocialistische verleden. Nationale symbolen—zoals de vlag—die in andere landen doorgaans functioneren als politiek-neutrale uitdrukkingen van collectieve identiteit, zijn in Duitsland blijvend beladen door hun associatie met het Nazisme. Hoewel deze gevoeligheid in de directe naoorlogse periode begrijpelijk was, wordt zij problematischer naarmate de historische afstand toeneemt. Zelfs de uitzonderlijke cesuur van 1945 kan immers niet los worden gezien van onderliggende structurele continuïteiten. De Bondsrepubliek werd weliswaar opgericht onder Amerikaanse supervisie, maar zij werd gedragen door Duitse burgers, ambtenaren en instituties en bouwde voort op bestaande bestuurlijke en maatschappelijke tradities. Bestuurspraktijken, sociale structuren en culturele patronen verdwenen niet abrupt met de opkomst en ondergang van het Derde Rijk.

 

Eerdere historische breukmomenten—zoals de Dertigjarige Oorlog, de ontbinding van het Heilige Roomse Rijk, de revolutie van 1848 en het Verdrag van Versailles—brachten eveneens diepgaande ontwrichtingen teweeg. Toch bleek telkens dat fundamentele kenmerken van de Duitse samenleving, waaronder regionale autonomie, institutionele continuïteit en federale ordening, standhielden. Deze constellatie raakt gemakkelijk uit beeld wanneer de historiografische focus eenzijdig ligt op Pruisen en Berlijn. Reeds in de Hanzeperiode functioneerden Duitse steden economisch en politiek zelfstandig binnen een losse confederale structuur. Ook het Heilige Roomse Rijk was geen gecentraliseerde staat, maar een pluriform geheel van grotendeels autonome entiteiten. Met de Vrede van Westfalen (1648) werd bovendien religieuze tolerantie geïnstitutionaliseerd, een vroeg voorbeeld van een liberaal beginsel. In de negentiende eeuw droeg de oprichting van de Zollverein bij aan verdere economische integratie en liberalisering.

​

Het is natuurlijk onmiskenbaar dat centralistische ideeën in de late negentiende eeuw aan invloed wonnen, onder meer zichtbaar in de Methodenstreit tussen de Duitse en Oostenrijkse economische scholen. Niettemin blijkt decentralisatie historisch ouder en fundamenteler. Ook na de eenwording van 1871 bleef federalisme een kernkenmerk van de Duitse staatsstructuur. Latere staatsvormen, waaronder de Weimarrepubliek en de Bondsrepubliek, vertoonden duidelijke continuïteiten op het vlak van federale ordening, parlementaire democratie en economische organisatie. Vanuit dit perspectief verliest de zogenoemde Sonderweg-these aanzienlijk aan overtuigingskracht. Deze benadering, met name invloedrijk binnen de Angelsaksische historiografie, veronderstelt dat Duitsland sinds de negentiende eeuw een unieke en afwijkende ontwikkeling doormaakte—gekenmerkt door militarisme, centralisme en autoritarisme—die vrijwel onvermijdelijk zou hebben uitgemond in het nationaalsocialisme.

​

Belangrijk is bovendien dat het liberalisme in Duitsland niet uitsluitend als economische doctrine werd opgevat, maar tevens als principe van staatsordening. Naast klassiek economisch liberalisme ontwikkelde zich een politieke variant die Locke’s idee van de ‘nachtwakerstaat’ verbond met Hegels opvatting dat individuele vrijheid juist mogelijk wordt gemaakt door een sterke, rechtstatelijke orde. Deze synthese gaf aanleiding tot duurzame instituties, waaronder de liberale rechtsstaat, eigendomsrechten, de scheiding van kerk en staat en de ontwikkeling van sociale voorzieningen. In Pruisen fungeerde de staat daarbij als katalysator van modernisering, onder meer via investeringen in infrastructuur, het bankwezen en het onderwijs. Deze ordoliberale traditie, later systematisch uitgewerkt door de Freiburger Schule, vormde de intellectuele basis van de Soziale Marktwirtschaft en het Rijnlandse model van de Bondsrepubliek. Centraal daarin staat de opvatting dat de staat een krachtige ordenende rol dient te vervullen door heldere regels te stellen en eerlijke concurrentie te waarborgen, zonder zich direct in het marktproces te mengen. Het doel is een vrije markt die sociaal rechtvaardig en institutioneel stabiel functioneert.

Scherm­afbeelding 2026-02-01 om 09.40.40.png
IMG_5756.jpg

Wat mogen we concluderen?

Een evenwichtige omgang met de Duitse geschiedenis vergt dat het nationaalsocialisme wordt erkend als een uitzonderlijke en traumatische episode, zonder dat deze twaalf jaar blijvend het interpretatiekader van de gehele Duitse geschiedenis bepalen. Er bestaat een alternatieve lezing waarin juist de lange en veelzijdige liberale traditie van Duitsland centraal staat, geworteld in eeuwenoude structuren van autonomie en decentralisatie. In macro-historisch perspectief wordt Duitsland immers gekenmerkt door hardnekkige continuïteiten op het gebied van federalisme, rechtsstatelijkheid en liberale staatsordening. Vanuit die optiek kan het Derde Rijk worden begrepen als een radicale afwijking van diepgewortelde liberale tradities. Door deze tradities opnieuw te waarderen—zonder de misdaden van de Tweede Wereldoorlog te bagatelliseren—kan de Duitse geschiedenis in haar volle complexiteit worden geanalyseerd en ontstaat ruimte voor een gezondere nationale identiteit en een volwassen historiografisch debat.

bottom of page